Het Spaanse kabinet heeft vorige maand eindelijk ingestemd met een wet die afstammelingen van Sefardische Joden het recht op de Spaanse nationaliteit geeft. Met de wet wordt volgens de Spaanse regering een historische fout rechtgezet. In 2013 werd een soortgelijk besluit al goedgekeurd door het Portugese parlement voor afstammelingen van de verdreven Portugese Sefardische Joden (waarvan een deel via een omweg in Amsterdam is terechtgekomen).
Al een paar maanden na de verovering van Granada tekenden Ferdinand en Isabella in hun religieuze euforie op 31 maart 1492 het Edict van Verdrijving, waarmee zij de honderdduizenden Joden in het nu Katholieke Spanje opdracht gaven zich te bekeren tot het Christendom of het land te verlaten. Een deel van hen liet zich gedwongen bekeren of werd alsnog vervolgd door de Inquisitie. Meer dan 200.000 Joden kregen vier maanden de tijd om hun spullen te pakken en te vertrekken. Het was onvoorstelbaar nieuws. De Spaanse Joden namen mee wat ze konden en wat hun het dierbaarst was: de sleutels van hun huizen en hun eigen 15de eeuwse Judeo–Spaans dat ze spraken, het Ladino. Spanje, of Sefarad, de Hebreeuwse naam die ze gegeven hadden aan het land dat ze nu moesten verlaten, verloor een belangrijke en getalenteerde groep van zijn inwoners.
Iedereen die bekend is met de geschiedenis van het Iberisch Schiereiland weet dat er nog een belangrijke groep ontbreekt in deze internationaal breed uitgemeten gebeurtenis: de afstammelingen van “Moriscos”, de verdreven Moslims.
Meer dan 300.000 verdreven Moriscos (zie toelichting Moriscos) vertrokken tussen 1609 en 1614 vanuit Spaanse havens naar verschillende gebieden. Sommigen vestigden zich in Istanbul waar de Ottomaanse sultan zich om hen bekommerde. Maar verreweg de meeste Moriscos verspreidden zich over Noord–Afrika en bouwden een nieuw bestaan op in Marokko, Algerije en Tunesië. Families bouwden hele nieuwe steden zoals Zaghouan en Testour, Tunesische steden met een geheel eigen unieke Andalusische identiteit. De Moriscos of al–Andalusiyun, en nieuwkomers met hun Spaanse taal en manieren, hadden vreemd klinkende namen als Rodriquez, Torres, Olivares en Sordo. Ze introduceerden talrijke kenmerken van hun indrukwekkende en verfijnde Andalusische cultuur en de steden werden al snel internationaal erkende centra van de Moorse cultuur, kennis en ontwikkeling. Toch is het heimwee zo erg geweest dat verslagen van historici uit die tijd melding doen van groepjes Andalusische migranten die terug wilden naar Spanje.
Noord–Marokkaanse steden als Tanger, Tétouan, Chefchaouen en Fez maar ook steden als Rabat en Salé hebben een sterk Andalusisch karakter en er wonen grote aantallen Marokkanen van Andalusische afkomst. Zij zien er veelal anders uit, heel Europees, en hebben een andere culturele identiteit. De Moriscos bouwden hun eigen moskeeën en velen bleven onderling Spaans praten met elkaar. Het kwam maar zelden voor dat Moriscos met buitenstaanders trouwden. Dit is een van de belangrijkste redenen dat veel van hun erfgoed vandaag de dag nog is overgebleven.
Tétouan werd na 1492 volledig opgebouwd en bewoond door vluchtelingen uit Granada. Vanaf 1609 zouden er tot wel 26.000 Moriscos volgen. Zij versierden de toegangsdeur van hun nieuwe woning met een metalen granaatappel, het symbool van de stad Granada. Tétouan kreeg dan ook nostalgisch de bijnaam Bint Gharnatah, ‘Dochter van Granada’.
Chefchaouen wist vanwege haar geïsoleerde ligging haar oorspronkelijke Andalusische cultuur te behouden. Pas in 1920 doorbraken de Spanjaarden het isolement van Chefchaouen door de stad na een felle strijd te bezetten. De binnenvallende Spanjaarden vonden er een oudere kopie van hun eigen cultuur. Zij hoorden oud Judeo–Spaans uit de 15de eeuw, al vier eeuwen uitgestorven in Spanje en destijds meegebracht door de verdreven Sefardische Joden.
Een grote en hechte gemeenschap van zo’n 3000 Moriscos uit het geïsoleerde Spaanse Hornachos zocht in 1610 een toevlucht aan de Marokkaanse Atlantische kust. Aan de overkant aan de monding van de Bou Regreg rivier stichtten zij Nieuw–Salé, een deel van het huidige Rabat. Vanaf 1619 werd Nieuw–Salé van uitgebreide vestingwerken voorzien. Hierdoor werd de ommuurde enclave een bijna onneembare uitvalsbasis voor zeerovers en vrijbuiters. Snakkend naar wraak voerden de Moriscos al snel zeerooftochten uit op Spanje, dat hen van huis en haard had verdreven.
Alleen al in Marokko wordt het aantal afstammelingen van de Moriscos geschat op meer dan 3 miljoen. Tot op de dag van vandaag is onder hun nazaten het bewustzijn van hun Andalusische identiteit levend gebleven. Andalusische families koesteren diep gelegen herinneringen en verlangens aan het vroegere al–Andalus van hun voorvaderen. Sommigen bewaren nog steeds de mythische sleutels van hun achtergelaten huizen in Spanje als een dierbaar bezit. Een vijfhonderd jaar oude traditie die generatie op generatie wordt doorgegeven. De jongere generatie verteld over grootvaders die ieder jaar diezelfde sleutel tevoorschijn halen en met tranen vertellen over de tragedie die hun Andalusische voorouders is overkomen.
In maart 2005 bracht de Spaanse koning Juan Carlos I een bezoek aan Marokko. Afstammelingen van de verdreven Moriscos verzamelden zich in Tétouan, de oude hoofdstad van Spaans–Marokko, waar zij verwachtten om de Spaanse koning te ontmoetten. Maar die annuleerde zijn bezoek op het laatste moment. De historicus Muhammad ibn Azzuz Hakim, die de campagne voor de afstammelingen van de verdreven Moriscos leidde; “Wij willen genoegdoening en erkenning voor alles wat ons is aangedaan. Wij voelen ons verbonden met dezelfde gebruiken en geschiedenis. De Spaanse tradities zijn de onze. In deze stad heb ik meer dan 7000 achternamen achterhaald die zijn afgeleid van Spaanse namen.”
Het Spaanse kabinet zou er goed aan doen om niet met twee maten te meten. De roep om gelijkwaardige erkenning is niet nieuw. Al vanaf 1992 vragen Spaanse en Noord-Afrikaanse historici en academici om gelijke behandeling van de nakomelingen van Moriscos, gelijkwaardig aan de behandeling die nu wordt geboden aan nakomelingen van de Sefardische Joden. Spanje moet nu beslissen of zij de Noord-Afrikaanse nakomelingen van de Andalusiërs blijven zien vanuit een eeuwenoud vijandbeeld of als onderdeel van hun gedeelde geschiedenis. Een symbolisch gebaar met als doel twee grote fouten in de Spaanse geschiedenis te erkennen. Want ook zij zijn de kinderen van al-Andalus. En net als de Sefardische Joden zien zij Spanje als een verloren paradijs, een paradijs vanwaar zij ooit zijn verdreven.
Toelichting Moriscos
De meeste mensen negeren en vergeten het feit dat Moslims na 1492 in het land bleven wonen. Ondanks de gegarandeerde godsdienstvrijheid vonden er in het door de Katholieke koningen veroverde Granada, maar later ook in de rest van Spanje al snel gedwongen bekeringen tot het Christendom plaats. Wie zich niet bekeerde moest het land verlaten. De Moslims werden na hun gedwongen bekering tot het Christendom Moriscos genoemd, wat ‘kleine Moren’ of ‘halve Moren’ betekend. In overgrote meerderheid waren zij ongetwijfeld van autochtone afkomst. Eens bekeerd mochten ze Spanje niet meer verlaten, werden ze verdacht van ketterij of afvalligheid en als zodanig vervolgd. Het merendeel van de Moriscos bleef in het geheim de Islam trouw. Het belangrijkste instrument bij het uitoefenen van controle op het sociale en religieuze leven was de Spaanse Inquisitie. De Inquisitie keek toe op limpieza de sangre, de zuiverheid van geloof en bloed, onder meer ontwikkeld omdat er openlijk bijna geen zichtbare etnische verschillen meer bestonden. Door eeuwenlange gemengde huwelijken en bekeringen was elk zichtbaar verschil tussen ‘Arabische’ en ‘Iberische’ Moslims zo goed als verdwenen. Maar weinig 15de eeuwse Spanjaarden konden claimen pure bloedlijnen te bezitten.
De Moriscos waren trouw aan Spanje en waren zich bewust van hun nieuwe status onder Katholieke heerschappij, maar weigerden hun Islamitische identiteit op te geven. De Moriscos bleven zichzelf nog steeds als Moslims beschouwen, maar tegelijkertijd ook als Spanjaarden, die volledig in de cultuur van de Spaanse Gouden Eeuw waren ingebed. Toch koos Spanje voor gedwongen assimilatie. Na een eeuw van gedwongen bekering, vele discriminerende wetten, de vernietiging van hun cultuur en religie, de opheffing van hun zelfbestuur en opstand en onderwerping beval koning Felipe III tussen 1609 en 1614 de uitdrijving van de gehele Moslim populatie van Spaans grondgebied. De Spaanse overheid verdreef alle Moriscos waarmee een einde kwam aan de gedwongen bekering van de Moslims aan wie in 1492 religieuze vrijheid was gegarandeerd. De Christelijke autoriteiten hadden de bekeringen zelf geëist en verklaarden nu dat deze niet voldeden. De Moriscos moesten op grond van hun veronderstelde Islamitische identiteit Spanje verlaten. Mannen, vrouwen en kinderen werden van de ene op de andere dag gedwongen om hun huizen te verlaten en werden uit het land gedeporteerd. Zij mochten bijna niets van hun bezittingen meenemen. Een deel van de Moriscos waren op het moment van hun verdrijving oprecht gelovige en praktiserende Christenen. De consequenties waren dramatisch. Met de verwijdering van haar inwoners verloren sommige provincies vrijwel hun gehele bevolking. De uiteindelijke uitzetting van de Moriscos ging gepaard met een opeenvolging van enorme wreedheden van moorden, verkrachtingen en berovingen, allemaal in navolging van de verordening.
In minder dan vijf jaar had Spanje meer dan 300.000 mannen, vrouwen en kinderen verbannen. Het was de definitieve vernietiging van een Islamitische beschaving in Spanje die negenhonderd jaar eerder was begonnen. Volgens Professor Dwight Reynolds is “misschien het meest schokkende in de uitwijzing van de Moriscos dat Katholiek Spanje geen Arabieren of Berbers verdreef. De overgrote meerderheid van de mensen die werden verdreven, door bloed, door DNA als je wilt, waren even Iberisch als hun Christelijke neven die hen nu van het schiereiland schopten.”
0